De kinderrechter van de rechtbank Rotterdam behandelde op 20 augustus 2024 het verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en de kinderen wonen bij hen. De eerdere ondertoezichtstelling liep tot 28 augustus 2024.
De GI motiveerde het verzoek met toegenomen zorgen over [minderjarige 1], die het gezag van de ouders niet accepteert, regelmatig te laat of niet thuis komt, en een problematische vriendengroep heeft. Voor [minderjarige 2] werd verlenging gevraagd vanwege zijn deel uitmaken van het gezinssysteem, hoewel hij reeds passende hulp ontvangt voor zijn autisme, ADHD en angststoornis.
De moeder stemde in met verlenging voor [minderjarige 1], maar niet voor [minderjarige 2]. De kinderrechter concludeerde dat voor [minderjarige 1] nog steeds sprake is van een bedreigde ontwikkeling en verlengde de ondertoezichtstelling voor een jaar. Voor [minderjarige 2] oordeelde de rechter dat de wettelijke criteria niet zijn vervuld en wees het verzoek af.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof te Den Haag.