In deze zaak vordert de huurder de vernietiging van de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder vanwege funderingsproblemen aan de woning. De verhuurder had de overeenkomst ontbonden omdat herstel onmogelijk zou zijn, maar de kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is.
De fundering van het pand was ernstig beschadigd, met verzakkingen en instortingen, waardoor de gemeente Rotterdam het gebruik van het pand verbood. De verhuurder stelde dat het gebrek zodanig ernstig was dat herstel niet mogelijk was en dat daarom ontbinding gerechtvaardigd was. De kantonrechter stelt echter vast dat het pand niet als verloren moet worden beschouwd en dat herstel van de fundering mogelijk is.
De verhuurder heeft niet aannemelijk gemaakt dat herstel onmogelijk is of dat de kosten niet redelijkerwijs van haar kunnen worden gevergd. De ontbinding wordt daarom niet rechtsgeldig geacht en de huurovereenkomst blijft bestaan. Wel is vastgesteld dat de fundering inmiddels is hersteld, zodat de huurder geen belang meer heeft bij herstel daarvan.
De verhuurder wordt veroordeeld om binnen twee maanden aanvang te maken met het herstel van overige gebreken die het gebruik van de woning belemmeren, onder dreiging van een dwangsom. Daarnaast moet de verhuurder de proceskosten betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.