Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 16 augustus 2024, met bijlagen 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord.
Rechtbank Rotterdam
Eiser huurde sinds december 2018 een woning van Havensteder. Na een overstroming in juli 2021 en daaropvolgende lekkages, voerde eiser een bodemprocedure tegen Havensteder wegens gebreken. De kantonrechter wees op 12 juli 2024 de vorderingen van eiser af en ontbond de huurovereenkomst omdat eiser sinds juli 2021 niet meer in de woning woonde. Eiser is van plan hoger beroep in te stellen en verzocht in kort geding om opschorting van de ontruiming.
De rechtbank stelt vast dat het uitgangspunt in executiegeschillen is dat vonnissen uitvoerbaar zijn, tenzij sprake is van een kennelijke misslag. Eiser kon onvoldoende aantonen dat het vonnis op een kennelijke misslag berust. Zijn stellingen over hoofdverblijf en onbewoonbaarheid zijn onvoldoende onderbouwd.
Bij de belangenafweging weegt het belang van Havensteder om de woning te kunnen verhuren zwaarder dan het belang van eiser om in de woning te blijven, mede omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij door ontruiming in een noodsituatie komt. De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen tot opschorting van de ontruiming worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.