ECLI:NL:RBROT:2024:9691

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
7 oktober 2024
Zaaknummer
10-013368-24 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 40 lid 2 GeneesmiddelenwetArt. 6:6:25 SvArt. 6:6:26 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na illegale handel en witwassen

De rechtbank Rotterdam heeft op 10 september 2024 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die zich schuldig heeft gemaakt aan illegale handel in medicijnen en drugs en eenvoudig witwassen. De strafzaak leidde tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk.

De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk begroot op €215.353,-. De verdediging stelde dat dit bedrag gematigd moest worden tot €100.000,- en dat de betalingsverplichting nihil moest zijn, omdat de veroordeelde niet over meer vermogen beschikt en zijn woning niet wil verliezen.

De rechtbank oordeelde dat het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel een voldoende nauwkeurige schatting bevatte, met een kleine correctie op het aankoopbedrag van een voertuig en een beslagbedrag, waardoor het definitieve bedrag op €214.373,- werd vastgesteld. De betalingsverplichting werd conform dit bedrag vastgesteld, omdat niet aannemelijk was dat de veroordeelde niet in staat is te betalen. De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en legde een betalingsverplichting van €214.373,- op aan de veroordeelde.

Uitkomst: Veroordeelde moet €214.373,- betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10.013368.24 (ontneming)
Datum uitspraak: 10 september 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2024, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.

2.Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 10 september 2024 is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:
Feit 1
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
eenvoudig witwassen;
Feit 3
opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet;
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. [1]
In deze procedure wordt als vaststaand aangenomen dat voornoemde strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.

3.Vordering van het Openbaar Ministerie

De ontnemingsvordering van de officier van justitie mr. E.M. Loppé - zoals deze na wijziging op de zitting is komen te luiden - strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 215.353,-;
- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 215.353,- ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, van het wetboek van Strafrecht. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

4.Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden gematigd tot € 100.000,- en dat de terugbetalingsverplichting op nihil moet worden vastgesteld zodat verdachte in staat is de door verdachte in de hoofdzaak voorgestelde geldboete van € 100.000,- te voldoen. Ter onderbouwing is aangevoerd dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel lastig exact te bepalen is, nu de veroordeelde ook het nodige geld van zijn ouders heeft ontvangen en niet alle aankopen zijn gedaan met de opbrengst van de handel in verdovende middelen en medicijnen. Veroordeelde meent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel het bedrag is dat wederrechtelijk is verkregen. De veroordeelde heeft niet meer vermogen en er dient te worden voorkomen dat hij zijn huis moet verkopen.

5.Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij de beantwoording van de vraag naar de omvang van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van de situatie, zoals die uit het onderzoek door de politie is gebleken. De rechtbank is van oordeel dat het ‘rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ een voldoende nauwkeurige schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. [2] Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het rapport geschat op € 216.353,-; Bovendien is er bij die schatting, aan de hand van zijn verklaring naar aanleiding van het onderzoek dat aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag ligt, steeds uitgegaan van de voor de veroordeelde meest voordelige situatie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het rapport echter één rekenfout ten aanzien van het aankoopbedrag van de Jeep bevat en bovendien gaat de rechtbank conform hetgeen bewezen is verklaard uit van het bedrag van € 11.930,00 dat volgens de beslaglijst in de woning in beslag is genomen, in plaats van de € 12.190,00 waarmee in het Rapport Berekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel is gerekend, waardoor de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vaststelt op € 214.373,-.

6.Vaststelling van de betalingsverplichting

Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken. Niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde op dit moment geen draagkracht heeft en ook in de toekomst niet in staat zal zijn om het bedrag te betalen. Indien in de toekomst blijkt dat geen middelen tot terugbetaling voorhanden zijn, kan de veroordeelde de rechter om een (nadere) beslissing verzoeken op grond van artikel 6:6:26 Sv Pro.
Aan de veroordeelde zal de verplichting worden opgelegd om een bedrag van € 214.373,- aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op
€ 214.373,-(zegge:
tweehonderdveertienduizend driehonderd drieënzeventig euro);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van
€ 214.373,- (zegge: tweehonderdveertienduizend driehonderddrieënzeventig euro)ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv Pro ten hoogste kan worden gevorderd op
1080 dagen(zegge:
duizendtachtig);
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. S.M. den Hollander en A. Sennef, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op 10 september 2024.
De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Dit vonnis is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
2.Het rapport is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.