ECLI:NL:RBROT:2024:9703

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 oktober 2024
Publicatiedatum
7 oktober 2024
Zaaknummer
ROT 24/8052, ROT 24/8574, ROT 24/8575 en ROT 24/8608
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij pgb en Wmo-zorg

De zaak betreft vier bestuursrechtelijke procedures waarin verzoekers I, II en III en een stichting betwisten dat de stichting niet meer voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wmo 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam had besloten dat verzoekers hun persoonsgebonden budget (pgb) niet langer bij de stichting mochten besteden, waardoor de zorg niet meer werd vergoed. Verzoekers en de stichting maakten bezwaar en vroegen om voorlopige voorzieningen.

Na het indienen van nadere stukken door de stichting heeft het college op 18 september 2024 besloten dat de stichting alsnog aan de kwaliteitseisen voldoet. Hierdoor werden de eerdere besluiten ingetrokken en kon het pgb voorlopig bij de stichting worden besteed. De voorzieningenrechter oordeelde dat hierdoor het spoedeisend belang voor voorlopige voorzieningen ontbreekt.

De verzoeken om voorlopige voorziening werden daarom afgewezen. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 7 oktober 2024 door de voorzieningenrechter E. Lunenberg, in aanwezigheid van griffier H. Sabanovic. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/8052, ROT 24/8574, ROT 24/8575 en ROT 24/8608

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2024 in de zaken tussen

[verzoeker 1], uit [plaatsnaam], verzoeker I,

[verzoeker 2], uit [plaatsnaam], verzoeker II,

[verzoeker 3], uit [plaatsnaam], verzoekster III,

[naam stichting], uit [plaatsnaam], de stichting

(met allen als gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. A.J. Wintjes).

Inleiding

1. De stichting biedt ondersteuning aan kwetsbare jongeren met het doel hun zelfredzaamheid te vergroten. Verzoekers I, II, III wonen bij de stichting en hebben ieder afzonderlijk met de stichting een huur- en zorgovereenkomst gesloten.
ROT 24/8052 en ROT 24/8574
1.1
Het college heeft verzoeker I een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) toegekend. Verzoeker I besteedt dat pgb door zorg in te kopen bij de stichting.
1.2.
Met het primaire besluit I van 16 juli 2024 heeft het college bepaald dat verzoeker I niet langer zorg en ondersteuning kan inkopen bij de stichting omdat deze niet voldoet aan de minimale kwaliteitseisen die de gemeente Rotterdam stelt aan levering van zorg vanuit de Wmo 2015. De ondersteuning door de stichting wordt vanaf 26 oktober 2024 niet meer vergoed door het college. Verzoeker I en [naam stichting] hebben tegen dit besluit afzonderlijk bezwaar gemaakt en daarbij de voorzieningenrechter ook om een voorlopige voorziening gevraagd.
ROT 24/8575
1.3.
Verzoeker II heeft eveneens een pgb dat hij besteedt door zorg in te kopen bij de stichting.
1.4.
Met het primaire besluit II van 5 augustus 2024 heeft het college bepaald dat verzoeker II (om dezelfde reden als hiervoor genoemd) niet langer zorg en ondersteuning kan inkopen bij de stichting. De ondersteuning door de stichting wordt vanaf 9 november 2024 niet meer vergoed door de gemeente. Verzoeker II en de stichting hebben tegen dit besluit gezamenlijk bezwaar gemaakt en daarbij de voorzieningenrechter ook om een voorlopige voorziening gevraagd.
ROT 24/8608
1.5.
Met het besluit van 11 juli 2024 heeft het college bepaald dat verzoekster III in aanmerking komt voor een ondersteuningsarrangement op grond van de Wmo 2015. Verzoekster III krijgt een persoonsgebonden budget (pgb) van € 452,60 per vier weken van 4 april 2024 tot en met 29 september 2024.
1.6.
Op 18 juli 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen over verzoeksters ondersteuningsarrangement waarmee het besluit van 11 juli 2024 is ingetrokken. Aan verzoekster III is voor dezelfde periode een pgb toegekend van € 783,84 per vier weken. Verzoekster III en de stichting hebben tegen dit besluit gezamenlijk bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd.
Alle verzoeken
1.7.
Verzoekers en de stichting zijn het er kort gezegd niet mee eens dat de stichting niet meer aan de kwaliteitseisen voldoet. Verzoekers I, II en III willen hun pgb blijven besteden bij de stichting. Als dat niet mogelijk is, raken zij dakloos.
1.8.
Nadat het college de stichting op 12 september 2024 in de gelegenheid had gesteld nadere stukken in te dienen, heeft het college met het besluit van 18 september 2024 bepaald dat de stichting alsnog aan de kwaliteitseisen voldoet. Het college heeft vervolgens de primaire besluiten I en II ingetrokken en bepaald dat het pgb van verzoeker III voortduurt tot zes weken na de beslissing op het bezwaar in een andere procedure.
1.9.
De rechtbank heeft verzoekers gevraagd of zij de verzoeken om een voorlopige voorziening willen intrekken (met daarbij eventueel een verzoek om een proceskostenveroordeling). Op 20 september 2024 hebben verzoekers hierop gereageerd en aangegeven de verzoeken niet in te trekken.
1.10.
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2024. Partijen hebben kort voor de zitting laten weten niet te zullen verschijnen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het bezwaar- of beroepschrift. [1]
3. Omdat verzoekers hun pgb voorlopig bij de stichting kunnen blijven besteden, hebben zij en de stichting geen spoedeisend belang meer bij de door hen verzochte voorlopige voorziening. Daarom zal de voorzieningenrechter de verzoeken afwijzen.
4. Omdat de verzoeken worden afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).