ECLI:NL:RBROT:2024:9754

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
ROT 23/8353 en ROT 23/8356 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.C.W. van der Feltz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroepschriften wegens te late betaling griffierecht afgewezen

Deze uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de eerdere beslissing van de rechtbank van 22 maart 2024 waarin haar beroepen niet-ontvankelijk werden verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht van €365,-.

De rechtbank heeft het verzet behandeld op 27 augustus 2024. Opposante, vertegenwoordigd door mr. Bartels, stelde dat het griffierecht tijdig was betaald op 16 februari 2024, binnen vier weken na ontvangst van de herinneringsbrief. De rechtbank stelde echter vast dat de herinneringsbrief van 18 januari 2024 een betaling binnen vier weken na dagtekening vereiste, derhalve uiterlijk 15 februari 2024. De betaling op 16 februari was dus te laat.

De rechtbank oordeelde dat er geen verontschuldiging voor het verzuim was en dat het verzet daarom ongegrond was. Tevens wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat de procedure nog geen anderhalf jaar had geduurd sinds ontvangst van het beroep op 13 december 2023.

De uitspraak is gedaan door rechter G.C.W. van der Feltz en griffier M. Noordegraaf op 8 oktober 2024.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege te late betaling van het griffierecht en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/8353 en ROT 23/8356 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2024 op het verzet van

[naam opposante] , opposante

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels, hierna: Bartels).
tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 maart 2024 in de gedingen tussen
opposante
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Capelle aan den IJssel verweerder

Inleiding

Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 22 maart 2024 waarin de rechtbank de beroepen van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 27 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft Bartels namens opposante deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het verschuldigde griffierecht van € 365,- niet tijdig heeft betaald. Er is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van 22 maart 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Bartels voert aan dat het griffierecht tijdig door hem namens opposante is betaald. Hij heeft namelijk op 16 februari 2024 betaald en dat is binnen vier weken nadat hij de brief met nota van de rechtbank heeft ontvangen.
3.1
De rechtbank stelt vast dat, nadat niet binnen vier weken na de eerste brief van 20 december 2023 het griffierecht was voldaan, met dagtekening van 18 januari 2023 aan Bartels een herinnering is verstuurd om binnen vier weken alsnog het griffierecht te betalen. In deze brief staat onder meer het volgende:

Uit onze administratie blijkt dat u nog niet heeft voldaan aan mijn uitnodiging om het griffierecht te betalen. Het nog te betalen bedrag is €365,00.
Ik deel u nu mee dat u het bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze
brief moet hebben overgemaakt op rekening:”(..)
Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de genoemde
bankrekening, loopt u het risico dat uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaard
wordt. Hierna krijgt u geen nieuwe gelegenheid om het griffierecht te betalen.
(..)
Hieruit volgt duidelijk dat
binnenvier weken na de
dagtekeningvan de brief het griffierecht betaald moet worden. De laatste dag om het griffierecht te betalen was dan 15 februari 2024. Op die dag was nog niet betaald, Bartels heeft op 16 februari 2024 betaald, wat dus te laat is.
Ter zitting heeft Bartels verklaard dat zijn werkwijze zo is ingericht dat hij altijd binnen vier weken na de ontvangst van de (herinnerings)brief betaalt. Gebeurt dat echter niet, dan komt dat voor zijn rekening en risico, in de brief van de rechtbank van 18 januari 2023 staat duidelijk dat binnen vier weken na de dagtekening betaald moet zijn.
4. Voor het overige heeft Bartels geen gronden aangevoerd. Het verzet is daarom ongegrond.
5. Opposante heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
6. In dit geval is echter nog geen anderhalf jaar verstreken sinds de ontvangst van het beroep op 13 december 2023, zodat de rechtbank dit verzoek reeds hierom afwijst. [1]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2024.
de rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2. ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3. het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712