ECLI:NL:RBROT:2024:9897

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 november 2024
Publicatiedatum
10 oktober 2024
Zaaknummer
11153949 CV EXPL
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 BWArt. 6:92 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 6:277 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand, ontbinding en ontruiming bedrijfsruimte toegewezen

De huurder [gedaagde] huurt sinds 1 maart 2021 een bedrijfsruimte in Vlaardingen van [eiser]. Er is een huurachterstand van €11.906,96 ontstaan, waarvoor [eiser] betaling vordert, inclusief rente, incassokosten, boetes en schadevergoeding. Tevens wordt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming geëist.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand ernstig genoeg is voor ontbinding van de huurovereenkomst, mede gezien de achterstand van acht maanden. De stelling van gebreken aan de bedrijfsruimte door [gedaagde] wordt verworpen vanwege gebrek aan onderbouwing en het toepasselijke risico op herstel volgens de algemene huurvoorwaarden.

De huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] moet binnen veertien dagen ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen tot de ontruiming. De gevorderde contractuele boetes worden voor de helft toegewezen omdat cumulatie niet is overeengekomen. Rente wordt deels toegewezen, waarbij rente over de periode tot mei 2024 wordt afgewezen vanwege het boetebeding.

Incassokosten worden toegewezen en proceskosten worden aan [gedaagde] opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, huurachterstand en gedeeltelijke boetes worden toegewezen en ontruiming van de bedrijfsruimte wordt bevolen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11153949 CV EXPL 24-14793
datum uitspraak: 1 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Westerbeek,
eiser,
gemachtigde: Van Leeuwen Legal B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Maassluis,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 29 mei 2024, met bijlagen;
  • het antwoord.
1.2.
Op 2 oktober 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig mr. W.J. van Leeuwen namens de gemachtigde van [eiser] en [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 1 maart 2021 de bedrijfsruimte aan de [adres] in Vlaardingen van [eiser] . De huur is nu € 1.488,37 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. [eiser] eist dat [gedaagde] die huurachterstand met rente, buitengerechtelijke incassokosten, boetes, schadevergoeding en de lopende huur betaalt. [eiser] eist ook dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en dat [gedaagde] de bedrijfsruimte verlaat.
2.2.
De kantonrechter wijst een aanzienlijk deel van de vordering toe. Zowel de wettelijke rente als de gevorderde boetes worden voor een deel afgewezen. De huurachterstand rechtvaardigt nog steeds ontbinding van de overeenkomst. Deze vordering wordt daarom toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarop deze beslissing is gebaseerd.
De huurachterstand bedraagt € 11.906,96
2.3.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 11.906,96 aan [eiser] te betalen. De partijen zijn het er namelijk over eens dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting. De huur tot en met de maand oktober 2024 zit hier dus bij.
Ontbinding huurovereenkomst
2.4.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW Pro). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van twee maanden of meer, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. [1] In dit geval is er een achterstand van acht maanden en zijn er geen redenen waardoor afgeweken moet worden van voornoemd uitgangspunt.
2.5.
[gedaagde] heeft daarnaast gesteld dat de bedrijfsruimte meerdere gebreken heeft. [eiser] betwist dat dit het geval is en voert daarbij aan dat het herstellen van de gestelde gebreken op grond van algemene huurvoorwaarden voor rekening en risico van [gedaagde] komt. Het is in dit geval aan [gedaagde] om te onderbouwen dat sprake is van de gestelde gebreken, en dat hij zich ter zake van die gebreken op opschorting heeft mogen beroepen, maar dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de bedrijfsruimte voldoet aan de eisen die ervan mogen worden verwacht en dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting niet mag opschorten.
Ontruiming en gebruiksvergoeding
2.6.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de bedrijfsruimte met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 1.488,37 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro).
Schadevergoeding
2.7.
[gedaagde] is ook aansprakelijk voor de schade van [eiser] over de periode vanaf de ontruiming tot de einddatum van de huurovereenkomst (artikel 6:277 BW Pro). De omvang van deze schade kan nog niet worden begroot. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding op te maken bij staat (artikel 612 Rv Pro).
Incassokosten
2.8.
De incassokosten van € 571,50 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
Boetes
2.9.
De gevorderde contractuele boetes van € 1.800,- worden voor de helft toegewezen. [eiser] heeft met verwijzing naar de algemene huurvoorwaarden toegelicht dat een huurder telkens wanneer hij de huur niet op tijd betaalt, een direct opeisbare boete van € 300,- per maand verschuldigd is. Omdat ten tijde van de dagvaarding drie maanden de huur onbetaald was – en dus te laat is betaald – wordt een contractuele boete van 3 x € 300,- = € 900,- toegewezen. De rest wordt afgewezen, omdat er geen reden bestaat voor cumulatie of doortelling van de boetebedragen.
Rente
2.10.
De rente over de huurachterstand tot en met mei 2024 wordt afgewezen. Er geldt een boetebeding dat het karakter heeft van een (gefixeerde) schadevergoeding. Artikel 6:92 lid 2 BW Pro bepaalt dat de boete in de plaats treedt van een schadevergoeding op grond van de wet. Partijen kunnen afspreken dat boete en schadevergoeding naast elkaar verschuldigd zijn, maar daarvan is niet gebleken. [eiser] kan voor de huurachterstand tot en met mei 2024 daarom alleen aanspraak maken op de boete. De rente over de huur vanaf juni 2024 tot het moment van ontbinding van de huurovereenkomst wordt daarentegen wel toegewezen, omdat over die periode geen boetes worden gevorderd.
Proceskosten
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 524,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.473,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
- € 11.906,96 aan huurachterstand met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 7.441,85 vanaf 1 juni 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
- € 900,- aan contractuele boetes over de periode vanaf maart 2024 tot en met mei 2024; en
- € 571,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis de bedrijfsruimte aan de [adres] in Vlaardingen te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 november 2024 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiser] te betalen € 1.488,37 per maand;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om de schade van [eiser] vanaf de ontruiming te betalen, op te maken bij staat;
3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.473,72;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
53954

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810