De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2008. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de minderjarige verblijft sinds enige tijd op een open groep in een jeugdhulpaanbieder in een plaats in Nederland.
Eerder was de ondertoezichtstelling verlengd tot 6 juni 2025 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 6 oktober 2024. De gecertificeerde instelling (GI) Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus een jaar. De kinderrechter had eerder vier maanden toegewezen en hield de rest aan.
Tijdens de mondelinge behandeling op 27 september 2024 bleek dat de beoogde plaatsing bij de vader niet is gelukt. De vader gaf aan dat het beter is dat de minderjarige doordeweeks in de groep blijft en alleen in het weekend bij hem verblijft. De omgang is echter recentelijk niet meer regelmatig geweest. De minderjarige heeft het goed op de groep en er wordt gewerkt aan passende school en hulpverlening.
De moeder staat open voor contactherstel, maar de minderjarige is daar nog niet toe bereid. De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, mede omdat de vader moeite heeft met hulpverlening en de minderjarige niet bij de moeder kan wonen.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 6 juni 2025 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.