ECLI:NL:RBROT:2024:9951

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 september 2024
Publicatiedatum
12 oktober 2024
Zaaknummer
C/10/678151 / JE RK 24-892
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2008. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de minderjarige verblijft sinds enige tijd op een open groep in een jeugdhulpaanbieder in een plaats in Nederland.

Eerder was de ondertoezichtstelling verlengd tot 6 juni 2025 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 6 oktober 2024. De gecertificeerde instelling (GI) Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus een jaar. De kinderrechter had eerder vier maanden toegewezen en hield de rest aan.

Tijdens de mondelinge behandeling op 27 september 2024 bleek dat de beoogde plaatsing bij de vader niet is gelukt. De vader gaf aan dat het beter is dat de minderjarige doordeweeks in de groep blijft en alleen in het weekend bij hem verblijft. De omgang is echter recentelijk niet meer regelmatig geweest. De minderjarige heeft het goed op de groep en er wordt gewerkt aan passende school en hulpverlening.

De moeder staat open voor contactherstel, maar de minderjarige is daar nog niet toe bereid. De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, mede omdat de vader moeite heeft met hulpverlening en de minderjarige niet bij de moeder kan wonen.

De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 6 juni 2025 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 6 juni 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/678151 / JE RK 24-892
Datum uitspraak: 27 september 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam 1],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- de beschikking van 29 mei 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI van 14 augustus 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op 27 september 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam 2].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover (via een videoverbinding) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft op een open groep in [plaatsnaam].
2.3.
Bij beschikking van 29 mei 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 6 juni 2025. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 6 oktober 2024, waarbij de beslissing voor het overig verzochte is aangehouden tot 1 september 2024 pro forma.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus voor de duur van een jaar. Hiervan zijn bij voornoemde beschikking van 29 mei 2024 vier maanden toegewezen. Er resteert een beslissing over een periode van acht maanden.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en licht het als volgt toe. In de afgelopen periode is er toegewerkt naar een plaatsing van [minderjarige] bij de vader. Het verlof van [minderjarige] bij de vader is daartoe steeds verder uitgebreid. De vader heeft in de afgelopen periode echter aangegeven dat het voor zowel [minderjarige] als de vader beter is dat [minderjarige] doordeweeks op de groep in [plaatsnaam] blijft en in het weekend bij de vader verblijft. De beoogde plaatsing bij de vader is dus mislukt. In de afgelopen weken is er geen sprake meer van regelmatige omgang tussen [minderjarige] en de vader. De omgangsmomenten in de weekenden zijn niet doorgegaan. De GI vermoedt dat dit te maken heeft met de mislukte plaatsingspoging, wat een flinke tegenvaller is geweest voor [minderjarige]. [minderjarige] verblijft op dit moment op de open groep in [plaatsnaam] en hij heeft het hier naar zijn zin. In de komende periode is het belangrijk dat er wordt gezocht naar een passende school voor [minderjarige] in de regio, waarbij de benodigde hulpverlening wordt opgestart. Verder zal in de komende periode worden bekeken of het noodzakelijk is om over te gaan tot vervanging van de GI.
4.2.
Door de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De moeder vindt het een grote teleurstelling voor [minderjarige] dat de beoogde plaatsing bij de vader niet is gelukt. [minderjarige] had zich erop verheugd om verder bij de vader op te kunnen groeien. Er is sprake van een contactverbod tussen [minderjarige] en de moeder. Onder begeleiding van de GI mag er wel onderling contact plaatsvinden. De moeder staat open voor contactherstel. [minderjarige] heeft aangegeven hier nog niet voor open te staan.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).
5.2.
In de beschikking van 29 mei 2024 heeft de kinderrechter de beslissing over het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing gedeeltelijk aangehouden om te bezien of een plaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk zou zijn. In de afgelopen periode is dit helaas niet mogelijk gebleken. Uit de briefrapportage van de GI blijkt de vader moeite heeft met het accepteren van hulpverlening. Daarbij heeft de vader aangegeven bang te zijn dat de band tussen [minderjarige] en de vader zal verslechteren als [minderjarige] bij hem komt wonen. Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige] niet bij de moeder kan wonen. [minderjarige] heeft aangegeven het naar zijn zin te hebben op de groep in [plaatsnaam] en het gaat daar goed met hem. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het aangehouden verzoek toewijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 6 juni 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 9 oktober 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.