Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die de hoofdzaak behandelde, waarin onder andere een verzoek tot beëindiging van de ondertoezichtstelling van zijn dochters centraal stond. Hij stelde dat de rechter partijdig was omdat zij zonder kritische vragen valse beschuldigingen van andere procespartijen aannam en hem onvoldoende gelegenheid gaf om zich te verdedigen.
De wrakingskamer heeft beoordeeld dat het verzoek tijdig was ingediend en dat de rechterlijke onpartijdigheid wordt vermoed. De aangevoerde omstandigheden boden geen zwaarwegende aanwijzing dat de rechter onpartijdig zou zijn. De regie van de zitting en de volgorde van het woord voeren lagen bij de rechter, en het feit dat andere partijen meer spreektijd kregen, is geen reden voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
Ook het niet stellen van kritische vragen betekent niet dat de rechter partijdig is. De rechter heeft bovendien de orde tijdens de zitting bewaakt, onder meer door verzoeker te attenderen op het verbod op geluidsopnamen. De wrakingskamer concludeert dat er geen grond is voor wraking en wijst het verzoek af.
De beslissing is door de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam op 9 oktober 2024 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.