ECLI:NL:RBROT:2025:10035

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
19 augustus 2025
Zaaknummer
10/023853-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8 EVRMArt. 342 lid 2 Wetboek van StrafvorderingArtikel 1.2 Aanwijzing opsporingsberichtArtikel 2.1 Aanwijzing opsporingsbericht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte aanranding wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs

De rechtbank Rotterdam behandelde op 5 augustus 2025 de zaak tegen verdachte, geboren in 2008, die werd verdacht van aanranding tijdens carnaval 2024 in Dordrecht. De tenlastelegging betrof het plotseling hard grijpen in het kruis van een vrouw. De officier van justitie vorderde vrijspraak.

De verdediging stelde dat het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat beeldmateriaal van verdachte onrechtmatig op social media was geplaatst, in strijd met artikel 6 en Pro 8 EVRM. De rechtbank oordeelde echter dat geen sprake was van een ernstige inbreuk op de procesorde die niet-ontvankelijkheid rechtvaardigt, mede omdat de foto niet openbaar de identiteit toonde en de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt.

De rechtbank twijfelde niet aan de verklaring van het slachtoffer, maar vond deze onvoldoende als steunbewijs om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte de aanranding heeft gepleegd. Zonder aanvullend bewijs kon geen veroordeling volgen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.

De uitspraak benadrukt het belang van steunbewijs bij aanrandingszaken en bevestigt dat het OM ontvankelijk blijft ondanks bezwaren over privacy en procesrechtelijke aspecten rond opsporingsberichtgeving.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10/023853-25
Datum uitspraak: 5 augustus 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
raadsman mr. T.S. Kessel, advocaat te Dordrecht.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 22 juli 2025.

2.Tenlastelegging

De verdachte staat terecht op de verdenking van aanranding tijdens de carnaval van februari 2024 in Dordrecht: hij zou een vrouw plotseling hard in het kruis hebben gegrepen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L. Goudzwaard heeft vrijspraak van het ten laste gelegde gevorderd.

4.Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk is in zijn vervolging. Het OM heeft in strijd gehandeld met artikel 6 en Pro 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) doordat beeldmateriaal van de verdachte op social media is geplaatst zonder dat aan de daarvoor geldende eisen is voldaan. Het tonen van de ongeblurde foto van de verdachte heeft verstrekkende gevolgen gehad voor de verdachte. Uit het dossier blijkt niet welke belangenafweging door het OM is gemaakt of dat de hoofdofficier het besluit tot openbaarmaking heeft genomen of daarbij anderszins betrokken was. De verbalisanten hebben geen proces-verbaal opgemaakt over wanneer en waarom de foto van de verdachte op social media is geplaatst. De verdediging heeft dit dan ook niet op basis van het dossier kunnen controleren. Er is hiermee een inbreuk gemaakt op de privacy van de verdachte en hem een eerlijk proces onthouden.
4.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen schending is van artikel 6 en Pro 8 EVRM en het OM ontvankelijk is in zijn vervolging. Het OM heeft toestemming gegeven om de foto van de verdachte geblurd op social media te tonen. Toen dat geen resultaat opleverde, is er ook toestemming gegeven om de foto ongeblurd te tonen. Vervolgens is naar aanleiding van de tips de verdachte opgespoord en is hij aangehouden. Bij opsporingsberichtgeving wordt altijd een zorgvuldige belangenafweging gemaakt. Er wordt rekening gehouden met de impact die dit op de verdachte heeft. De officier van justitie begrijpt dat het vervelend voor hem is geweest, maar dat doet niet af aan het belang van het lopende onderzoek. Op dat moment woog het opsporingsbelang zwaarder dan het belang van de verdachte.
4.3.
Beoordeling
Voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM, de meest vergaande sanctie, is, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad, in beginsel slechts plaats indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan (het Zwolsman-criterium).
Die situatie doet zich hier niet voor. Er was sprake van een verdenking van aanranding, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarmee is het een feit waarover een opsporingsbericht onder de Aanwijzing opsporingsbericht (de Aanwijzing) toegelaten is. Een dergelijk bericht vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie (zie artikel 1.2 van de Aanwijzing). De officier van justitie heeft ter zitting uitgelegd dat er toestemming is gegeven door het OM voor het plaatsen van de geblurde en later ongeblurde foto van de verdachte op social media. De toestemming van de hoofdofficier was niet vereist omdat de identiteit van de verdachte niet openbaar is gemaakt (zie artikel 2.1 van de Aanwijzing). Dat er geen proces-verbaal is waarin de belangenafweging is neergelegd, is onvoldoende voor toepassing van het Zwolsman-criterium.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Er bestaat dus geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging.
4.4.
Conclusie
De officier van justitie is ontvankelijk.

5.Waardering van het bewijs

5.1.
Vrijspraak
De rechtbank twijfelt niet aan de verklaring van de aangeefster dat zij op 10 februari 2024 is aangerand. De verklaring van aangeefster is echter niet voldoende voor een veroordeling: er is aanvullend bewijs nodig, zo geheten steunbewijs (art. 342 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering). Dat is er in dit dossier niet, zeker niet voor de cruciale vraag of de verdachte degene is geweest die dit heeft gedaan. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

6.Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7.Beslissing

De rechtbank:
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. N. Doorduijn en L.W.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 augustus 2025.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Dordrecht,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid, te weten
- het (onverhoeds) grijpen/knijpen in het kruis en/of
- (vervolgens/daarmee) het aanraken en/of betasten en/of vastpakken en/of grijpen
van/naar haar met kleding bedekte vagina
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handelingen, te weten
het (onverhoeds) aanraken en/of betasten en/of vastpakken en/of grijpen van/naar
haar met kleding bedekte vagina.