Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet, met het doel verweerster te verbieden de ontruiming van haar woonruimte uit te voeren. De rechtbank stelde een zitting vast op 1 mei 2025 en stelde de uitspraak uit tot 1 juli 2025 om verzoekster de gelegenheid te geven beschermingsbewind aan te vragen, een aanvullende uitkering te verkrijgen en de huur over april, mei en juni 2025 te voldoen.
Tijdens de zitting bleek dat verzoekster lijdt aan Alzheimer en Parkinson, onvoldoende Nederlands spreekt en afhankelijk is van haar zoon en hulpverleners. De huurachterstand bedraagt elf maanden en de lopende huur kan niet worden voldaan met het huidige inkomen, ondanks een aanvraag voor aanvullende uitkering die nog in behandeling is. Schuldhulpverlening is afgesloten vanwege onvoldoende medewerking van verzoekster en haar zoon, die een Turkse hulpverlener wenst die niet beschikbaar is.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming, maar dat het belang van verweerster om het vonnis ten uitvoer te leggen zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om in de woning te blijven. Verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de lopende huurtermijnen kan voldoen. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.