Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw B.S. Koppers-Pronk, curator;
- [naam 1], moeder van verzoeker;
- [naam 2], vader van verzoeker.
2.De beoordeling
weleen verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid Fw ingediend.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het op 30 januari 2024 uitgesproken faillissement, met gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Tijdens de zitting op 22 mei 2025 zijn verzoeker, de curator en de ouders van verzoeker gehoord.
De rechtbank beoordeelt of verzoeker een beroep kan doen op artikel 15b, eerste lid, van de Faillissementswet. Deze bepaling stelt dat een verzoeker niet-ontvankelijk is indien redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet binnen de gestelde termijn een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend, of indien het faillissement op eigen aangifte is uitgesproken.
In deze zaak is het faillissement niet op eigen aangifte van verzoeker uitgesproken en heeft verzoeker op 17 augustus 2023 een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de WSNP. Dit verzoek is ingetrokken vanwege het niet tijdig aanleveren van financiële stukken en een instabiele boekhouding. De rechtbank oordeelt dat verzoeker reeds gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot WSNP-verzoek en dat het ingetrokken verzoek niet tot een ander oordeel leidt.
Daarom wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn omzettingsverzoek. De rechtbank merkt op dat verzoeker na opheffing van het faillissement vrij staat een nieuw verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot opheffing van het faillissement met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling.