De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering om een machtiging te verkrijgen voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige die sinds enige tijd vermist is. De minderjarige staat onder voogdij van de GI sinds 2017, nadat het ouderlijk gezag was beëindigd.
De GI verzocht om een machtiging voor een gesloten verblijf van een jaar, met het oog op de ernstige zorgen over de veiligheid van de minderjarige, die vermoedelijk betrokken is bij het criminele circuit en herhaaldelijk wegloopt. De pleegmoeder en de advocaat van de minderjarige stelden zich tegen het verzoek op, onder meer omdat de gedragswetenschapper de minderjarige niet recentelijk heeft kunnen spreken, wat een wettelijke vereiste is voor een gesloten machtiging.
De kinderrechter overwoog dat het verlenen van een gesloten machtiging onder de huidige omstandigheden niet de juiste weg is. De machtiging zou de vermissing kunnen bestendigen en de veiligheid van de minderjarige niet verbeteren. Daarnaast ontbrak de noodzakelijke gedragswetenschapperverklaring. De kinderrechter wees het verzoek af en benadrukte het belang van het opbouwen van een vertrouwensband met de minderjarige, bijvoorbeeld via een jongerencoach, om toekomstige hulpverlening mogelijk te maken.
Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak of betekening.