De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn vader. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar de minderjarige woont bij de vader. De kinderrechter hield op 6 augustus 2025 een zitting met gesloten deuren waarbij alle betrokkenen aanwezig waren, inclusief de minderjarige zelf.
Er bestaat een ernstig vermoeden van mishandeling in de thuissituatie bij de moeder, wat door de moeder wordt ontkend. De minderjarige wil niet bij de moeder wonen, maar wil wel de relatie op een veilige manier herstellen. De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 24 oktober 2025 en dat de voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft.
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door belanghebbenden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag. De kinderrechter benadrukt het belang van waarheidsvinding en passende hulpverlening in de komende periode, waarbij de communicatie tussen ouders positief wordt gewaardeerd.