ECLI:NL:RBROT:2025:10544
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken woonplaats in Rotterdam
Eiser diende op 20 februari 2024 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college wees deze aanvraag op 28 maart 2024 af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij in de relevante periode zijn woonplaats in Rotterdam had. Eiser was dakloos en verbleef voornamelijk in zijn auto en bij een vriend in Maassluis.
Eiser voerde aan dat zijn hoofdverblijf in Rotterdam was omdat hij zijn kind in Rotterdam regelmatig op school haalde, zijn post daar ontving en hij reageerde op sociale huurwoningen in Rotterdam. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende concreet en onderbouwd waren om zijn verblijf in Rotterdam aannemelijk te maken.
De rechtbank benadrukte dat de bewijslast bij eiser lag en dat hij controleerbare gegevens moest aanleveren over zijn verblijfplaats. Bankafschriften toonden aan dat de meeste transacties buiten Rotterdam plaatsvonden, wat het standpunt van het college ondersteunde.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 40 van Pro de Participatiewet en verklaarde het beroep ongegrond. Het bestreden besluit bleef daarmee in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonplaats in Rotterdam had, waardoor het recht op bijstand ontbreekt.