ECLI:NL:RBROT:2025:10548
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot verschoning rechter wegens mogelijke partijdigheid
In deze zaak heeft een rechter van de rechtbank Rotterdam een verzoek tot verschoning ingediend in een strafzaak tegen een verdachte. De reden voor het verzoek was dat de partner van de rechter in 2021 als voorzitter betrokken was bij vonnissen van medeverdachten die onderdeel zijn van het bewijs in de lopende strafzaak.
Hoewel er geen aanwijzingen waren dat de rechter subjectief niet onpartijdig was, oordeelde de rechtbank dat de objectieve vrees voor schijn van partijdigheid zwaarwegend genoeg was om het verzoek toe te wijzen. Dit mede omdat de rechter zelf het verzoek tot verschoning had ingediend, wat de ernst van de situatie onderstreepte.
De rechtbank benadrukte dat verschoning dient om de onpartijdigheid van de rechter te waarborgen en dat de aanstelling van een rechter normaal gesproken een vermoeden van onpartijdigheid met zich meebrengt, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit vermoeden ondermijnen.
De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer voor verschoningszaken en het verzoek van de rechter werd formeel toegewezen. De rechter zal daardoor niet deelnemen aan de verdere behandeling van de strafzaak.
Uitkomst: Verzoek tot verschoning van de rechter wordt toegewezen vanwege objectief gerechtvaardigde vrees voor schijn van partijdigheid.