Eisers hebben beroep ingesteld tegen een door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende vergunning voor kamerbewoning voor drie personen in een woning te Rotterdam. Het college had de vergunning verleend op basis van de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2021, waarbij het overgangsrecht van toepassing werd geacht omdat op de peildatum al sprake was van kamerbewoning door drie personen.
Eisers voerden aan dat sprake was van een privaatrechtelijke belemmering omdat de splitsingsakte zelfstandige bewoning voorschrijft en dat de vergunninghouder onbetrouwbaar zou zijn. De rechtbank oordeelde dat deze privaatrechtelijke kwesties niet relevant zijn voor het bestuursrechtelijke besluit en dat eisers zich hiervoor tot de burgerlijke rechter moeten wenden.
Verder betoogden eisers dat het overgangsrecht ten onrechte was toegepast en dat er sprake zou zijn van frauduleuze verhuur met meer dan drie bewoners. De rechtbank vond dat het college redelijkerwijs mocht uitgaan van de huurovereenkomst en de controle in de Basisregistratie Personen, en dat er geen concrete aanwijzingen waren die het tegendeel bewezen.
Ten slotte werd betwist of de kamerbewoning leidt tot aantasting van het woonmilieu en leefbaarheid. De rechtbank stelde dat het begrip overlast subjectief is en dat het college voldoende had toegelicht dat er geen concrete meldingen waren die aantasting aannemelijk maakten. De vergunning werd daarom bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.