ECLI:NL:RBROT:2025:1065

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
27 januari 2025
Zaaknummer
10.314386.21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie

De rechtbank Rotterdam heeft op 21 januari 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van witwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. De verdachte werd vrijgesproken van het medeplegen van witwassen omdat dit niet wettig en overtuigend was bewezen. Het bezit van het vuurwapen en de munitie werd wel bewezen verklaard, mede doordat de verdachte dit feit bekend heeft.

De rechtbank oordeelde dat het bezit van het vuurwapen een ernstig feit is dat een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, zeker gezien de context van vele schietpartijen in Rotterdam en omgeving. De verdachte had het vuurwapen aangeschaft om zich veiliger te voelen, wat duidt op de bereidheid het wapen te gebruiken. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte werden meegewogen; hij had geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten.

De straf werd bepaald op 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legde een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op om de verdachte af te schrikken van toekomstige strafbare feiten. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht, werd in mindering gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 77 dagen voorwaardelijk, voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer 10.314386.21
Datum uitspraak 21 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ,
raadsman mr. H. Raza, advocaat in Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 januari 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. O. Bakker heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, te weten het medeplegen van witwassen;
  • bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, te weten het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 78 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 26 september 2022, te Oostvoorne, een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º jo artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten: een pistool van het merk/type “Sarsilmaz SAR 9 Mete”, kaliber 9 x 19 mm, en munitie in de zin van artikel 1, onder 4º jo artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten: negentien (19) kogelpatronen van het merk/type “S&B”, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie. De verdachte heeft het vuurwapen aangeschaft om zichzelf veiliger te voelen en was daarmee kennelijk bereid om het vuurwapen te gebruiken. Met zijn handelen heeft de verdachte een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van andere personen in het leven geroepen. De vele schietpartijen in Rotterdam en omgeving maken duidelijk dat het hebben van een vuurwapen makkelijk leidt tot het gebruik ervan. Dit zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarom moet tegen vuurwapenbezit streng worden opgetreden.
7.2.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het uittreksel uit de justitiële documentatie van
11 december 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. In plaats daarvan wordt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Daarbij wordt voor de volledigheid opgemerkt dat het
nietde bedoeling is dat de verdachte in het kader van dit vonnis teruggaat naar de gevangenis, anders dan in het geval dat hij de voorwaarden verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel niet zou nakomen. Het voorwaardelijke strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, namelijk 77 (zevenenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. M.I. Blagrove en F.M. van Peski, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.M. Sinon, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks in de periode van 1 november 2020 tot en met 28 februari 2022, te Oostvoorne en/of te Maassluis, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meerdere voorwerpen (contante geldbedragen ad in totaal Eur 146.250,00*), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel en/of gedeeltelijk,
onmiddellijk en/of middellijk, afkomstig was/waren uit enig en/of enig eigen misdrijf;
*zie proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 9 november 2022 (pag. 4-6)
( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 26 september 2022, te Oostvoorne, althans in Nederland, een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º jo artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten: een pistool van het merk/type "Sarsilmaz SAR 9 Mete", kaliber 9 x 19 mm, en/of munitie in de zin van artikel 1, onder 4º jo artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
negentien (19) kogelpatronen van het merk/type "S&B", kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie )