De rechtbank Rotterdam heeft op 25 augustus 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder veroordeeld werd voor invoer en bezit van verdovende middelen en niet-ambtelijke omkoping. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, begroot op €652.262,11.
De verdediging betwistte de hoogte van het bedrag en stelde dat onjuiste uitgangspunten waren gehanteerd in het ontnemingsrapport. De rechtbank heeft het bewijs en de berekeningen zorgvuldig gewogen en besloot een post van ruim €47.000 met betrekking tot een vermeende invoer van 60 kilo cocaïne buiten beschouwing te laten vanwege onvoldoende bewijs dat dit transport daadwerkelijk in Nederland heeft plaatsgevonden.
Na beoordeling van alle overige posten en het weerleggen van de betwisting van de verdediging, stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €604.885,86. De veroordeelde is verplicht dit bedrag aan de staat te betalen. Tevens is de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 365 dagen voor het geval volledige betaling niet mogelijk is.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde bij het opleggen van de betalingsverplichting.