De zaak betreft een kort geding tussen [eiser 1] als verhuurder en [gedaagde] als huurder van een bedrijfsruimte in Ridderkerk. [gedaagde] heeft sinds augustus 2024 een huurachterstand opgebouwd van €61.758,50 en is in gebreke gebleven met betalingen. Eisers vorderen ontruiming van de bedrijfsruimte, betaling van de achterstallige huur, toekomstige huur tot ontruiming, en een contractuele boete.
De kantonrechter verklaart eisers sub 2 tot en met 4 niet-ontvankelijk omdat alleen [eiser 1] verhuurder is. Ondanks dat een bodemprocedure gepland staat, oordeelt de rechter dat de ontruiming reeds kan worden bevolen vanwege de aanzienlijke huurachterstand en het ontbreken van concrete betalingsmogelijkheden van [gedaagde].
De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op 14 dagen na betekening. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat de uitspraak zelf al een gedwongen ontruiming mogelijk maakt. Daarnaast wordt de huurachterstand van €61.758,50 toegewezen, evenals de betaling van de huur vanaf juli 2025 tot ontruiming. De contractuele boete wordt toegewezen tot een bedrag van €3.000, niet de gevorderde €14.000, en incassokosten van €8.337 worden eveneens toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen omdat de boete in de plaats daarvan treedt. De proceskosten van €2.283,47 worden aan [gedaagde] opgelegd met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en wordt in het openbaar uitgesproken.