ECLI:NL:RBROT:2025:10795

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 september 2025
Publicatiedatum
11 september 2025
Zaaknummer
25/5425
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor verlaging aflossingsbedrag schuld college

Verzoekster heeft een schuld van €31.721,42 bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, ontstaan door een lening in 2022 op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen. Zij vroeg uitstel van betaling en kwijtschelding, waarop het college het aflossingsbedrag heeft vastgesteld op €100 per maand voor de periode van 1 juni 2025 tot en met 31 mei 2026. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om het aflossingsbedrag voorlopig te verlagen.

De voorzieningenrechter constateerde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege de wisselende inkomsten van verzoekster en haar financiële verplichtingen, waaronder een hoge huur en andere schulden. Het college motiveerde dat het aflossingsbedrag niet lager kon worden vastgesteld omdat verzoekster onvoldoende informatie over de besteding van de lening had verstrekt en geen aantoonbare pogingen had gedaan om ook bij andere schuldeisers het aflossingsbedrag te verlagen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college het bedrag van €100 per maand terecht had vastgesteld en dat het verzoek om een voorlopige voorziening daarom moest worden afgewezen. Tevens werd verzoekster aangeraden contact op te nemen met schuldhulpverlening en deel te nemen aan de hoorzitting over het bezwaar tegen het besluit. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om het aflossingsbedrag te verlagen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5425

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2025 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Samenvatting

Verzoekster heeft een schuld bij het college. Zij heeft gevraagd om uitstel van betaling en het college heeft het aflossingsbedrag vastgesteld op € 100,- per maand. De voorzieningenrechter vindt dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om het bedrag lager vast te stellen. Het verzoek wordt afgewezen.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een schuld bij het college. Het college heeft verzoekster op 14 mei 2025 een aanmaning gestuurd om het volledige bedrag van de schuld in één keer terug te betalen. Verzoekster heeft aan het college gevraagd om uitstel van betaling en kwijtschelding van de schuld. Met het besluit van 6 juni 2025 heeft het college het aflossingsbedrag verlaagd naar € 100,- per maand voor de periode van 1 juni 2025 tot en met 31 mei 2026. Met het besluit van 4 juli 2025 heeft het college de aanvraag om kwijtschelding van de schuld afgewezen.
2. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Verzoekster is niet naar de zitting gekomen en heeft zich ook niet afgemeld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
4. Verzoekster heeft in 2022 een lening (bedrijfskapitaal) gekregen van het college om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij kreeg deze lening op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen. Op dit moment bedraagt de schuld € 31.721,42.
Waar gaat het in deze zaak om?
5. Het was voor de rechtbank onduidelijk waartegen het verzoek om een voorlopige voorziening was gericht, ook nadat hierover vragen zijn gesteld aan verzoekster. Om het verzoek inhoudelijk te kunnen behandelen, moet er ook een hoofdzaak lopen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 juni 2025. Zij heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 juli 2025. De voorzieningenrechter zal daarom het bezwaarschrift tegen het besluit van 6 juni 2025 (over de hoogte van het aflossingsbedrag) beschouwen als de hoofdzaak. Het verzoek om een voorlopige voorziening is dan gericht tegen dit besluit.
Het college heeft met het besluit het aflossingsbedrag vastgesteld op € 100,- per maand, voor de periode van 1 juni 2025 tot en met 31 mei 2026. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat ze voorlopig niets hoeft terug te betalen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
8. Verzoekster werkt als zelfstandig pedicure en heeft wisselende inkomsten. Zij moet elke maand de helft van haar inkomsten afdragen aan de eigenaar van de door haar gebruikte behandelkamer. De huur van haar woning bedraagt € 2.335,- inclusief voorzieningen. Verder heeft verzoekster ook andere schulden en lost zij daar elke maand € 700,- op af. Volgens verzoekster is het voor haar financieel niet mogelijk om daarnaast nog € 100,- per maand af te lossen aan het college. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang om het verzoek inhoudelijk te beoordelen.
Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af?
9. De zelfstandige die geheel of gedeeltelijk niet in staat is om aan de rente- of aflossingsverplichtingen te voldoen, kan aan het college vragen om uitstel van betaling [1] . Het college heeft tijdens de zitting uitgelegd waarom er geen aanleiding bestaat om het aflossingsbedrag lager vast te stellen dan € 100,- per maand. Volgens het college is er meerdere keren gevraagd om gegevens over de besteding van de lening en heeft verzoekster die niet verstrekt. Daarnaast kan verzoekster ook bij andere schuldeisers vragen om verlaging van het aflossingsbedrag en is niet gebleken dat zij dit heeft gedaan. Er ontbreekt dus informatie. De voorzieningenrechter vindt dat het college het aflossingsbedrag dan ook heeft kunnen vaststellen op € 100,- per maand.
Hoe nu verder?
10. Uit het dossier komt naar voren dat verzoekster problematische schulden heeft. Zij heeft meerdere schuldeisers (het college, het college van Amsterdam, Santander, Qredits en Qeld) met een (geschatte) totale schuld van minimaal € 60.000,-. Daarnaast krijgt de voorzieningenrechter de indruk dat verzoekster nieuwe leningen aangaat om haar financiële situatie ‘op te lossen’. De voorzieningenrechter had dit graag met verzoekster tijdens de zitting willen bespreken. De voorzieningenrechter raadt verzoekster aan om contact op te nemen met de gemeente Amsterdam voor schuldhulpverlening [2] . Daarnaast zou het verstandig zijn als verzoekster (in persoon of telefonisch) deelneemt aan de hoorzitting van het college over haar bezwaarschrift tegen het besluit van 6 juni 2025.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college het aflossingsbedrag niet hoeft te verlagen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 41 van Pro het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
2.https://www.amsterdam.nl/werk-en-inkomen/regelingen-bij-laag-inkomen-pak-je-kans/schuldhulpverlening/