Verzoekers hebben op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van hun huurwoning op te schorten. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien het vonnis tot ontruiming reeds is gewezen en de ontruiming aangekondigd is.
De rechtbank weegt het belang van verzoekers, die in hun woning willen blijven en een minnelijk schuldhulpverleningstraject willen doorlopen, af tegen het belang van verweerder, die het vonnis wil uitvoeren vanwege achteruitgang van de woning. Gezien het feit dat de huurtermijnen sinds februari 2025 worden voldaan en verzoekers gebruik maken van budgetbeheer, acht de rechtbank het aannemelijk dat de lopende huurbetalingen ook tijdens de voorziening zullen plaatsvinden.
Daarom wordt de ontruiming voor zes maanden opgeschort en wordt de huurovereenkomst verlengd voor deze periode. Tevens wordt verzoekers niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen. De voorziening geldt onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan en dat schuldhulpverlening verslag uitbrengt.