Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraakdatum: 3 september 2025
1.De procedure
- de heer [verzoeker] , verzoeker;
- de heer D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekers.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun huurwoning opschort. De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond op 4 augustus 2025.
De rechtbank weegt het belang van verzoekers, die in hun woning willen blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject willen voortzetten, af tegen het belang van verweerster die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. Verzoekers hebben de huurbetalingen over augustus en september 2025 tijdig voldaan en ontvangen voldoende inkomen en toeslagen om de huur te blijven betalen.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende huurbetalingen tijdig zullen worden voldaan, mede doordat verzoekers verplicht worden hun inkomen aan de schuldhulpverlener over te maken. Daarom weegt het belang van verzoekers zwaarder en wordt de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder voorwaarden.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekers kunnen later een nieuw verzoek indienen.
De voorziening schort de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming op en verlengt de huurovereenkomst voor de duur van de voorziening, mits de huurbetalingen tijdig blijven plaatsvinden.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder voorwaarden van tijdige huurbetaling.