Verzoeker heeft een dwangakkoord aangevraagd op grond van artikel 287a Faillissementswet om drie schuldeisers te dwingen in te stemmen met een schuldregeling die door dertien van de zestien schuldeisers al is geaccepteerd. De schuldregeling voorziet in een uitkering van circa 1% aan schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker die een PW-uitkering ontvangt en ontheffing heeft van sollicitatieplicht.
De drie schuldeisers die weigeren in te stemmen vertegenwoordigen slechts 3,57% van de totale schuldenlast. Zij hebben geen verweer gevoerd ondanks behoorlijke oproeping. De rechtbank weegt het belang van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers zwaarder dan het belang van de weigerende schuldeisers, mede gelet op de deskundige toetsing van het voorstel en de stabiele financiële situatie van verzoeker.
De rechtbank stelt vast dat het dwangakkoord een gunstiger resultaat biedt dan de wettelijke schuldsaneringsregeling, die hogere kosten met zich brengt. Daarom wordt het verzoek tot dwangakkoord toegewezen en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De weigerende schuldeisers worden veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot wegens het ontbreken van griffierecht en advocaatkosten.
Dit vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming, waardoor verzoeker kan voortgaan met betalingen en niet in verzuim verkeert. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen, uitsluitend door advocaat in te dienen bij het gerechtshof.