Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 4 januari 2018, met producties;
- het verstekvonnis van 6740155 CV EXPL 18-9699 van 4 mei 2018;
- de verzetdagvaarding van 21 oktober 2024, met producties;
Rechtbank Rotterdam
Deze civiele procedure betreft de vraag of de bestuurders van [bedrijf 1] B.V. persoonlijk aansprakelijk zijn voor de betalingsverplichtingen die de vennootschap is aangegaan jegens [eiseres]. [bedrijf 1] had een horecapand gekocht en gaf opdracht aan [eiseres] om camerabewaking te installeren. Na een geschil over betaling werd [bedrijf 1] veroordeeld tot betaling, maar is niet aan deze verplichting voldaan. [bedrijf 1] is in 2016 ontbonden wegens gebrek aan baten.
[eiseres] vorderde vervolgens bestuurdersaansprakelijkheid van de bestuurders, stellende dat zij wisten of hadden moeten weten dat de vennootschap niet zou kunnen betalen. De rechtbank oordeelt dat de lat voor bestuurdersaansprakelijkheid hoog ligt en dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld die aantonen dat de bestuurders bij het aangaan van de verbintenis wisten of behoorden te weten dat betaling onmogelijk zou zijn.
Ook het niet correct informeren over de turboliquidatie en het niet tijdig deponeren van jaarstukken leiden niet tot aansprakelijkheid. De rechtbank vernietigt het verstekvonnis dat de bestuurders aansprakelijk stelde en wijst de vordering af. De proceskosten worden aan [eiseres] opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De bestuurders zijn niet persoonlijk aansprakelijk en de vordering wordt afgewezen.