De rechtbank Rotterdam heeft op 27 augustus 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de veroordeelde werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De zaak betrof medeplegen van gewoontewitwassen over de periode van 1 januari 2020 tot en met 10 maart 2025.
Partijen hadden voorafgaand aan de zitting procesafspraken gemaakt, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting werden vastgesteld op €175.000,-. De veroordeelde erkende de afspraken en begreep de gevolgen daarvan, inclusief afstand van bepaalde verdedigingsrechten. De rechtbank beoordeelde zelfstandig of aan de wettelijke voorwaarden van artikel 36e Sr was voldaan.
Op basis van het ontnemingsrapport van de FIOD en de onderliggende strafzaak concludeerde de rechtbank dat het gevorderde bedrag voldoende was onderbouwd en niet onrechtmatig of ongegrond was. De betalingsverplichting werd conform de procesafspraken vastgesteld op €175.000,-. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen voor het geval volledige betaling uitblijft.
De veroordeelde was eerder veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar wegens medeplegen van gewoontewitwassen. Dit vonnis is nog niet onherroepelijk. De rechtbank legde hiermee een ontnemingsmaatregel op die aansluit bij de strafzaak en de gemaakte procesafspraken.