De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds kort verblijft in een gezinshuis na een crisisplaatsing. De kinderrechter hield op 27 augustus 2025 een zitting met gesloten deuren waar ook de ouders en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig waren.
De minderjarige verbleef eerder in een onveilige thuissituatie bij de moeder en stiefvader, waarbij sprake was van fysieke en emotionele mishandeling. Na een escalatie liep de minderjarige weg en werd zij op vrijwillige basis geplaatst in een crisisgroep. Sinds 26 augustus 2025 verblijft zij in een gezinshuis waar zij tot rust is gekomen. De relatie met de moeder is ernstig verstoord en herstel hiervan vereist hulpverlening.
De kinderrechter oordeelde dat voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Tevens werd vervangende toestemming verleend om de minderjarige in te schrijven op een middelbare school dichter bij het gezinshuis, aangezien de huidige reistijd bijna twee uur bedraagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen de beslissing is hoger beroep mogelijk.