ECLI:NL:RBROT:2025:11049

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 september 2025
Publicatiedatum
17 september 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1280 en FT RK 25/1281
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratoriumverzoek en niet-ontvankelijkheid schuldsaneringsverzoek wegens huurachterstand en detentie

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster zou verbieden het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren. Verzoeker zit momenteel in detentie en heeft geen inkomsten, waardoor lopende en achterstallige huurtermijnen niet zijn betaald. Schuldhulpverlening heeft namens verzoeker een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend, maar deze is afgewezen.

De rechtbank constateert een bedreigende situatie nu ontruiming is aangekondigd en het vonnis daartoe is vastgesteld. Bij de belangenafweging weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Gezien het ontbreken van inkomsten, de niet-betaalde huur en de afwijzing van bijzondere bijstand, acht de rechtbank het aannemelijk dat de huurtermijnen niet betaald zullen worden.

Daarom weegt het belang van verweerster zwaarder en wordt het moratoriumverzoek afgewezen. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, met de mogelijkheid om later een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: Het verzoek om een moratorium wordt afgewezen en verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het schuldsaneringsverzoek.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 15 september 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 18 juli 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 18 juli 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 29 juli 2025.
Ter zitting van 29 juli 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlener);
  • de heer [persoon B] en de heer [persoon C] , beiden werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Verzoeker is – zonder bericht van verhindering – niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft alle partijen opnieuw opgeroepen voor de mondelinge behandeling. In de oproepingsbrief van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 september 2025.
Ter zitting van 5 september 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • mevrouw [persoon A] , schuldhulpverlening;
  • mevrouw [persoon D] , werkzaam bij verweerster.
Verzoeker is – vanwege detentie – niet ter zitting verschenen.
Op 11 september 2025 heeft schuldhulpverlening een aanvullend e-mailbericht aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Ter zitting heeft schuldhulpverlening het volgende verklaard. Verzoeker heeft geen inkomsten om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. De lopende huurtermijnen worden niet betaald. Ook zijn de afgelopen huurtermijnen niet betaald. Verzoeker zit op dit moment in detentie en dat zal – in ieder geval – tot november 2025 zo blijven. Schuldhulpverlening wil nog een poging doen om bijzondere bijstand aan te vragen voor de lopende huurtermijnen. Ook zal bijzondere bijstand worden aangevraagd om de huurtermijn van september 2025 alsnog te voldoen. Bij bericht van 11 september 2025 heeft schuldhulpverlening aan de rechtbank te kennen gegeven dat de aanvraag bijzondere bijstand door de gemeente is afgewezen.

3.Het verweer

De totale huurachterstand bedraagt op dit moment € 12.324,51. De huurachterstand is sinds juni 2021 ontstaan. De laatste huurbetaling is geweest op 30 mei 2025. Verweerster heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de lopende huurtermijnen worden betaald. Daarnaast is de lopende huurtermijn van september 2025 niet betaald. Verweerster kan instemmen met toewijzing van het verzoek, indien de lopende huurtermijnen en de huurtermijn van september 2025 (alsnog) worden betaald vanuit de bijzondere bijstand.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 24 juni 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 22 juli 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 5 juni 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen betaald kunnen en zullen worden. Verzoeker heeft geen inkomen. De lopende huurtermijnen worden niet betaald. Ook zijn de afgelopen huurtermijnen niet betaald. Verzoeker zit op dit moment in detentie. Tot slot is de door schuldhulpverlening voor verzoeker ingediende aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 september 2025.