Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, diende een aanvraag in voor overname van een geldschuld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), welke door de minister op 22 juni 2023 werd afgewezen. Eiseres maakte te laat bezwaar, dat niet-ontvankelijk werd verklaard. Tegelijkertijd gaf de minister een ambtshalve beoordeling waarin werd geconcludeerd dat de schuld reeds was overgenomen op basis van een eerder besluit. Eiseres maakte bezwaar tegen deze ambtshalve beoordeling, waarop de minister reageerde met een brief waarin werd gesteld dat bezwaar tegen deze beoordeling niet mogelijk is. De rechtbank oordeelt dat de ambtshalve beoordeling geen besluit is en dat het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank analyseert dat het bezwaarschrift van eiseres geen herzieningsverzoek bevatte met nieuwe feiten of omstandigheden en dat de ambtshalve beoordeling niet gericht is op rechtsgevolg, waardoor deze niet als besluit kan worden aangemerkt. De minister hoefde eiseres niet te horen over het bezwaar tegen de ambtshalve beoordeling, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. Het beroep van eiseres faalt ook in haar betoog over morele verplichtingen van de minister, aangezien juridische beoordeling voorop staat.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.P. Ferwerda en griffier M. Noordegraaf op 17 september 2025. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.