Eiser, gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht compensatie voor betaalde geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister wees dit verzoek op 21 juni 2023 af wegens onvoldoende bewijs. Eiser maakte te laat bezwaar, dat niet-ontvankelijk werd verklaard, waarna de minister een ambtshalve beoordeling gaf. Eiser maakte bezwaar tegen deze ambtshalve beoordeling, waarop de minister reageerde met een brief waarin werd gesteld dat bezwaar tegen deze beoordeling niet mogelijk is.
De rechtbank oordeelt dat de ambtshalve beoordeling geen besluit is in de zin van bestuursrecht, omdat deze geen rechtsgevolg heeft en niet de rechtspositie van eiser wijzigt. Daarom is het bezwaar tegen deze beoordeling terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen deze beslissing is ongegrond (zaak ROT 24/5418). Het beroep tegen de reactie op het bezwaar tegen de ambtshalve beoordeling (zaak ROT 24/6205) is niet-ontvankelijk omdat die brief geen besluit is.
De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tevens oordeelt zij dat de minister niet verplicht was eiser te horen over het bezwaar tegen de ambtshalve beoordeling, omdat dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. De morele argumenten van eiser worden niet juridisch gevolgd.