ECLI:NL:RBROT:2025:11130

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
C/10/704189 / KG ZA 25-781
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 WGBZ
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over proceskosten na intrekking kort geding over koopwoning

Eiseres verzocht op 29 juli 2025 om een datum voor een kort geding tegen VDM Vastgoed Groep over de nakoming van een koopovereenkomst voor een woning in Rotterdam. De mondelinge behandeling was gepland op 10 september 2025. De dagvaarding werd op 12 augustus 2025 betekend en VDM diende op 5 september 2025 een conclusie van antwoord in.

Op 8 september 2025 trok eiseres het kort geding in zonder nadere toelichting. VDM gaf aan een beslissing over de proceskosten te wensen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de mededeling van VDM tijdig was gedaan en dat eiseres als in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd.

De proceskosten worden vastgesteld op €3.888,00, bestaande uit griffierecht, salaris advocaat en nakosten. Eiseres wordt veroordeeld deze kosten binnen veertien dagen te voldoen, met een extra bedrag bij niet-tijdige betaling. De kostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van €3.888 aan proceskosten aan VDM Vastgoed Groep.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/704189 / KG ZA 25-781
Vonnis in kort geding van 17 september 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. T. Steenbeek te Tilburg,
tegen
VDM VASTGOED GROEP B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat: mr. V. Kortenbach te Den Haag.
Partijen worden hierna [eiseres] en VDM genoemd.

1.De procedure

1.1.
[eiseres] heeft 29 juli 2025 verzocht om een datum te bepalen voor een kort geding tegen VDM. Vervolgens is een mondelinge behandeling bepaald op 10 september 2025. De dagvaarding met producties is op 12 augustus 2025 aan VDM betekend. Op 5 september 2025 heeft VDM een conclusie van antwoord met producties ingediend.
1.2.
Op 8 september 2025 heeft [eiseres] het kort geding ingetrokken. Diezelfde dag heeft VDM aan [eiseres] en aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat zij een beslissing over de proceskosten wenst. Op 10 september 2025 heeft [eiseres] hierop gereageerd.
1.3.
De voorzieningenrechter acht het niet nodig om het geschil over de proceskosten ter zitting te behandelen. Daarnaast heeft geen van partijen om een mondelinge behandeling gevraagd. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1.
Bij arrest van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) heeft de Hoge Raad overwogen dat indien de eiser het kort geding intrekt de aanhangigheid daarvan niet komt te vervallen indien de gedaagde tijdig aan de eiser en de voorzieningenrechter mededeelt dat het geding desondanks doorgang dient te vinden, omdat hij een beslissing over de proceskosten verlangt. De termijn waarbinnen deze mededeling dient te worden gedaan, bedraagt veertien dagen na datum waartegen hij was opgeroepen.
2.2.
In deze zaak is de mededeling van VDM dat zij een beslissing omtrent de proceskosten verlangt binnen de gestelde veertiendagentermijn gedaan.
2.3.
Omdat door de voorzieningenrechter op een geschil over de proceskosten wordt beslist, zijn partijen op grond van artikel 3 lid 1 WGBZ Pro (alsnog) griffierecht verschuldigd.
2.4.
[eiseres] vorderde primair VDM te gebieden om haar verplichtingen uit de op 24 februari 2025 tussen partijen gesloten koopovereenkomst na te komen, in die zin dat VDM zou overgaan tot levering aan [eiseres] van, kort gezegd, de woning aan de [adres] in Rotterdam tegen betaling van de koopprijs van € 325.000,00 minus een contractuele boete. Voor het geval VDM de woning al aan een ander zou hebben geleverd en nakoming van de koopovereenkomst daardoor blijvend onmogelijk zou zijn, vorderde [eiseres] subsidiair betaling door VDM van een voorschot op de schadevergoeding. Dat voorschot werd door [eiseres] begroot op € 32.500,00 vermeerderd met het verschil in verkoopprijs voor het geval de woning voor een hoger bedrag dan € 325.000,00 zou zijn verkocht. In de conclusie van antwoord heeft VDM vermeld dat zij de woning op 8 augustus 2025 heeft verkocht, met registratie van de koopovereenkomst in het Kadaster. VDM heeft niet genoemd voor welke prijs zij de woning heeft verkocht. Bij brief van 8 september 2025 heeft [eiseres] het kort geding ingetrokken. Zij heeft dit niet nader toegelicht. VDM heeft vervolgens medegedeeld dat zij een beslissing over de proceskosten verlangt. In reactie daarop heeft mr. Steenbeek bericht dat [eiseres] zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter refereert. Gelet op deze gang van zaken wordt [eiseres] aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij.
2.5.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiseres] in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. Aangezien het gaat om een zaak met een vordering van een waarde van niet meer dan € 100.000,00 is VDM een griffierecht van € 2.995,00 verschuldigd. Omdat het een zaak betreft zonder ingewikkelde feitelijke of juridische aspecten wordt bij de berekening van het salaris van de advocaat uitgegaan van het minimale tarief van € 715,00. De proceskosten van VDM worden daarmee begroot op:
- griffierecht: € 2.995,00
- salaris advocaat: € 715,00
- nakosten:
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 3.888,00

3.De beslissing

3.1.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van 3.888,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
3.2.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025. [2971/1980]