Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[verzoekster 1]
[verzoeker 2]
[handelsnaam]
Rechtbank Rotterdam
Verzoeksters hebben bij de rechtbank Rotterdam een faillissementsverzoek ingediend tegen verweerder, gebaseerd op een vermeende vordering voortkomend uit een samenwerkingsverband dat tussen 2020 en 2023 heeft bestaan. De samenwerking, die onder meer de inkoop van vogels en de opzet van een vogelhotel betrof, is niet juridisch vastgelegd en partijen verschillen van inzicht over de feiten en financiële verhoudingen.
Verzoeksters claimen een vordering van minimaal €159.277,50, bestaande uit kosten voor verkochte vogels, huur, vogelvoer en papegaaienspeelgoed. Verweerder betwist deze vordering en stelt dat hij zelf een hogere investering heeft gedaan en dat er een tegenvordering bestaat wegens het leeghalen van zijn magazijn door verzoeker sub 2, wat tot aanzienlijke schade heeft geleid.
De rechtbank oordeelt dat het vorderingsrecht van verzoeksters niet summierlijk kan worden vastgesteld vanwege de onduidelijke afspraken en tegenstrijdige standpunten. Een faillissementsprocedure biedt geen ruimte voor nader onderzoek naar de onderlinge rechten en verplichtingen. Daarom wordt het faillissementsverzoek afgewezen.
Uitkomst: Faillissementsverzoek wordt afgewezen omdat het vorderingsrecht niet summierlijk kan worden vastgesteld en een tegenvordering is betwist.