De zaak betreft een geschil tussen Stichting Trivire en gedaagde over het recht om in een woning te blijven wonen na het overlijden van de moeder van gedaagde. Trivire stelt dat gedaagde geen recht of titel heeft om in de woning te verblijven en vordert ontruiming en betaling van gebruiksvergoeding.
Gedaagde voert aan dat zij op basis van een brief van de rechtsvoorgangster van Trivire, Progrez, uit 2009 toestemming heeft gekregen om na het overlijden van haar moeder in de woning te blijven wonen. Trivire betwist de echtheid van deze brief en stelt dat gedaagde geen medehuurder is en de huurovereenkomst niet automatisch is voortgezet. Gedaagde heeft ook niet binnen zes maanden na het overlijden van haar moeder een verzoek ingediend om de huur voort te zetten.
De kantonrechter stelt vast dat de brief van 28 december 2009 cruciaal is voor het verweer van gedaagde en draagt haar daarom op de echtheid van deze brief te bewijzen. Gedaagde krijgt de mogelijkheid schriftelijk bewijs, getuigen en ander bewijs te leveren, met strikte termijnen en voorwaarden. Trivire mag vervolgens tegenbewijs leveren. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld.
De uitspraak benadrukt dat zonder bewijs van de brief gedaagde geen recht heeft op voortzetting van de huurovereenkomst en dat de wettelijke bepalingen omtrent medehuurderschap en voortzetting van huur na overlijden van belang zijn in deze zaak.