Verzoeker en zijn partner ontvingen een bijstandsuitkering op basis van de norm voor gehuwden. Het college heeft de uitkering verlaagd naar de norm voor alleenstaanden, omdat de partner volgens het college geen geldige verblijfstitel meer heeft. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat de verlaging van de uitkering een aanzienlijk financieel nadeel oplevert. De partner van verzoeker is een Bulgaarse gemeenschapsonderdaan die sinds februari 2025 als oproepkracht werkt, maar het college heeft nagelaten om de IND te informeren over deze nieuwe arbeidsgegevens.
De rechter stelt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het verblijfsrecht van de partner, terwijl het op de weg van het college lag om de nieuwe informatie aan de IND voor te leggen. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst, zodat de uitkering weer op de gehuwdennorm wordt vastgesteld totdat op bezwaar is beslist.
Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.