De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin de verdachte werd verdacht van medeplegen van het op voorraad hebben van ketamine en medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot verdovende middelen op lijst I van de Opiumwet. De verdenkingen waren gebaseerd op chatberichten van een Signal-gebruiker met een bepaalde gebruikersnaam.
Tijdens het onderzoek kon echter niet met zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van het betreffende Signal-account. De verdachte ontkende de belastende chats te hebben verstuurd en gaf aan dat de link in de chats ook via andere personen verspreid kon zijn. Er werd geen Signal-app op zijn telefoon gevonden en er waren geen aanwijzingen dat hij deze app eerder had gebruikt.
De rechtbank oordeelde dat de alternatieve verklaring van de verdachte niet onwaarschijnlijk was en dat er een reële mogelijkheid bestond dat de belastende berichten via een onbekende derde aan de medeverdachte waren gestuurd. Hierdoor kon de verdachte niet wettig en overtuigend worden bewezen als gebruiker van het Signal-account.
Daarnaast werd de dagvaarding nietig verklaard voor het derde feit wegens onvoldoende concrete omschrijving van de feitelijke handelingen. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan bewijs.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, waarbij één rechter niet in staat was mede te ondertekenen.