De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het voorbereiden van een diefstal met geweld, afpersing en opzettelijke vrijheidsberoving in de periode van februari tot mei 2025. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 14 maanden, deels voorwaardelijk, gebaseerd op chatberichten, telefoongesprekken en het bezit van politiepakken en wapens.
Uit het bewijs bleek dat verdachte en een medeverdachte plannen bespraken voor een overval op een woning, inclusief het gebruik van politiepakken en een vuurwapen. Echter, de rechtbank vond onvoldoende bewijs dat de wapens en munitie daadwerkelijk met een crimineel doel werden voorhanden gehouden en dat de plannen concreet genoeg waren om te spreken van strafbare voorbereidingshandelingen.
De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om de tenlastelegging wettig en overtuigend te bewijzen. Daarom sprak zij de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 5 september 2025.