De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis waarbij de huurovereenkomst van een woning is ontbonden wegens een opgelopen huurachterstand. De huurder, vertegenwoordigd door een bewindvoerder, betwist de ontbinding en ontruiming, maar erkent de achterstand.
De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand verder is opgelopen en dat er geen reëel uitzicht is op tijdige en structurele betaling, mede door een blokkade op de bankrekening van de huurder. Hoewel persoonlijke en financiële problemen en de aanwezigheid van minderjarige kinderen zijn erkend, weegt het belang van de verhuurder om over het gehuurde te beschikken zwaarder.
De kantonrechter oordeelt dat de ontruiming niet leidt tot een acute noodsituatie voor de kinderen en dat het verzet niet slaagt. Daarnaast worden de incassokosten en rente afgewezen omdat de betreffende bepaling in de algemene huurvoorwaarden als oneerlijk wordt aangemerkt volgens Richtlijn 93/13 EG. De proceskosten worden aan de bewindvoerder opgelegd.