Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 9 september 2025;
- de pleitnota van de vrouw.
Rechtbank Rotterdam
Partijen, ex-echtelieden, zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hebben later huwelijkse voorwaarden opgesteld. Na hun echtscheiding in 2024 bereikten zij een vaststellingsovereenkomst over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waaronder de overdracht van woning en bedrijfsruimte en betaling van geldbedragen.
De man vordert nakoming van deze afspraken, waaronder overdracht van de woning aan de vrouw en betaling van €500.000, met dwangsommen bij niet-nakoming. De vrouw stelt zich op het standpunt van niet-ontvankelijkheid en voert opschorting aan wegens schuldeisersverzuim van de man, die weigert een noodzakelijk hypotheekformulier te ondertekenen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering tot nakoming te onbepaald is en dat de vrouw terecht opschorting toepast omdat de man essentiële medewerking onthoudt. Ook is onvoldoende aannemelijk dat de man recht heeft op schadevergoeding in kort geding. De vorderingen in conventie worden afgewezen en de vorderingen in reconventie komen niet aan bod. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De vorderingen van de man tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst worden afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen kosten.