De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de stiefvader en moeder tot stiefouderadoptie van twee minderjarige kinderen en het gezamenlijk gezag over hen. De minderjarigen zijn geboren uit het huwelijk van de moeder en vader, dat in 2020 is ontbonden. De stiefvader en moeder zijn sinds 2023 gehuwd en wonen samen met de kinderen.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de stiefvader bijna aan de vereiste driejaarstermijn van samenwonen voldoet, niet is vastgesteld dat de minderjarigen niets meer van hun biologische vader te verwachten hebben. De vader is financieel en emotioneel betrokken bij de kinderen en onderhoudt regelmatig contact. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde afwijzing van het adoptieverzoek omdat niet aan dit criterium is voldaan.
Ook het verzoek tot gezamenlijk gezag werd afgewezen omdat de moeder nog geen drie jaar alleen het gezag heeft en er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn om hiervan af te wijken. De rechtbank benadrukte het belang van het behoud van de juridische en emotionele positie van de biologische vader. Daarnaast werden verzoeken tot wijziging van de geslachtsnaam en voornamen van de kinderen afgewezen wegens het ontbreken van een zwaarwichtig belang.
De rechtbank concludeerde dat het belang van de kinderen het behoud van beide vaders in hun leven vereist en dat het nieuwe gezin weliswaar liefdevol is, maar de juridische banden met de biologische vader niet mogen worden verbroken. Elke partij draagt haar eigen proceskosten.