De Stichting vordert in de hoofdzaak dat voormalig bestuurder [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, haar taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en een ernstig verwijt kan worden gemaakt, en eist terugbetaling van € 58.936,31. De Stichting baseert dit op het feit dat het bestuur het saldo van de bevroren bankrekening tijdelijk op een rekening op naam van [gedaagde] heeft laten storten, maar [gedaagde] weigert het bedrag terug te storten.
In het incident vordert de Stichting afgifte van alle bankafschriften en overige bescheiden die betrekking hebben op de betreffende bankrekening en het gestorte bedrag, met een dwangsom bij niet-nakoming. [gedaagde] verzoekt om een langere termijn voor verstrekking.
De rechtbank oordeelt dat de Stichting voldoende belang heeft bij inzage in de bankafschriften van maart 2024 tot juni 2025 en veroordeelt [gedaagde] tot afgifte binnen twee weken na betekening van het vonnis, met een dwangsom van € 250 per dag tot maximaal € 5.000. Ook andere relevante bescheiden moeten worden verstrekt, zonder dwangsom. Proceskosten worden gecompenseerd. De hoofdzaak wordt aangehouden tot het nemen van een conclusie van antwoord.