ECLI:NL:RBROT:2025:11549
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verlenging gedragsaanwijzing wegens ontbrekende vervolgingsbeslissing en disproportionaliteit
Op 29 april 2025 werd aan appellant een gedragsaanwijzing opgelegd die hem verbood contact te hebben met bepaalde personen en zich in een specifieke straat te bevinden. Deze gedragsaanwijzing werd op 22 juli 2025 met maximaal 90 dagen verlengd. Appellant stelde beroep in tegen zowel de initiële aanwijzing als de verlenging, omdat de aanwijzing in een familierechtelijke procedure tegen hem werd gebruikt en hij de proportionaliteit en wettelijke grondslag van de verlenging betwistte.
De officier van justitie stelde dat het beroep tegen de initiële gedragsaanwijzing niet-ontvankelijk was omdat deze was verlopen en dat de verlenging rechtmatig was omdat er weliswaar nog geen dagvaarding was, maar het OM voornemens was deze te doen. De rechtbank oordeelde dat appellant geen belang meer had bij het beroep tegen de initiële gedragsaanwijzing en verklaarde hem niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van de verlenging stelde de rechtbank vast dat de wet verlenging verbiedt indien geen vervolging is ingesteld. Omdat op het moment van verlenging geen dagvaarding of strafbeschikking was uitgevaardigd, was de verlenging niet rechtsgeldig. Daarnaast was de onderbouwing van de verlenging onvoldoende en ontbrak de proportionaliteit, mede gezien het feit dat de verdenkingen al geruime tijd geleden waren en appellant geen eerdere veroordelingen had. De rechtbank vernietigde daarom de verlenging van de gedragsaanwijzing.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard voor het beroep tegen de initiële gedragsaanwijzing en de verlenging van de gedragsaanwijzing is vernietigd.