De zaak betreft een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds 31 mei 2022 onder voogdij van de pleegmoeder staat. Na een periode van verblijf bij de pleegmoeder en een crisisplaatsing in Rotterdam, is de minderjarige door beleidsmatige en hulpverleningsproblemen doorgeplaatst naar een crisisgroep in Hoenderloo.
De pleegmoeder en minderjarige hebben een hechte band, maar de thuissituatie verslechterde door onvoldoende hulpverlening, waaronder het niet kunnen starten van multidimensionale familietherapie en coaching. De minderjarige was drie dagen vermist en is met spoed uit huis geplaatst. De pleegmoeder stemt met pijn in het hart in met de verlenging van de uithuisplaatsing.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is omdat de thuissituatie onhoudbaar is zonder adequate hulpverlening. De huidige crisisplaatsing buiten de regio is niet ideaal, maar terugplaatsing is op dit moment niet mogelijk. Het belang van de minderjarige vereist een stabiele situatie met passende hulp en aandacht voor school en contact met de pleegmoeder.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 14 februari 2026 en de beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.