ECLI:NL:RBROT:2025:11698
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen UWV-besluit over WIA-uitkering
Verzoeker is het niet eens met de hoogte en de ingangsdatum van zijn WIA-uitkering en stelt dat hij recht heeft op een IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het UWV heeft vastgesteld dat verzoeker per 19 september 2023 recht heeft op een vervolguitkering van 35% van het minimumloon, omdat hij 52,62% arbeidsongeschikt is. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd om een voorschot op een IVA-uitkering te verkrijgen.
De voorzieningenrechter heeft het medisch onderzoek en de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid zorgvuldig beoordeeld en oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat verzoeker niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het eerdere besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wegens niet-meewerken staat in rechte vast en kan niet herleven zonder een nieuw verzoek en medewerking. Verzoekers argumenten over de eerste ziektedag en het dagloon zijn niet overtuigend.
De voorzieningenrechter concludeert dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Nadere stukken die verzoeker na de zitting heeft ingediend, zullen nog aan het UWV worden voorgelegd en het beroep zal later inhoudelijk worden behandeld.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen; verzoeker heeft recht op een WIA-vervolguitkering van 35% van het minimumloon vanaf 19 september 2023.