ECLI:NL:RBROT:2025:11877
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoire beslagen wegens schending artikel 21 Rv bij voorgenomen levering onroerende zaken
In deze zaak gaat het om een kort geding waarin eiser opkomt tegen conservatoire beslagen die beslaglegger heeft gelegd op de onverdeelde helft van twee onroerende zaken. De beslagen zijn gelegd naar aanleiding van een leningsovereenkomst tussen beslaglegger en de beslagene, waarbij de terugbetalingstermijn is verstreken zonder betaling.
Eiser stelt dat de beslagen onrechtmatig, onnodig en disproportioneel zijn en dat beslaglegger artikel 21 Rv Pro heeft geschonden door niet te vermelden welke zekerheid zij bezit die relevant is voor de vordering. Tevens wijst eiser op het feit dat het geschil zich buiten Nederland afspeelt en dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat spoedeisendheid voor opheffing niet vereist is en verwerpt dat verweer. De voorzieningenrechter stelt vast dat beslaglegger in strijd met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld door het niet vermelden van een relevante zekerheid, namelijk een pandrecht verbonden aan een koopovereenkomst tussen de echtgenote van de beslagene en beslaglegger. Ondanks betwisting van die koopovereenkomst door de echtgenote, leidt dit niet tot een ander oordeel.
Op grond hiervan worden de beslagen op de onroerende zaken opgeheven en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verdere beslissingen worden aangehouden tot een latere datum.
Uitkomst: De voorzieningenrechter heft de conservatoire beslagen op de onverdeelde helft van twee onroerende zaken op wegens schending van artikel 21 Rv.