ECLI:NL:RBROT:2025:11877

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
13 oktober 2025
Zaaknummer
C/10/706034 / KG ZA 25-888
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over opheffing van conservatoire beslagen op onroerende zaken

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Rotterdam op 29 september 2025, is een kort geding aan de orde waarin de eiser, wonende te Kapellen (België), zich verzet tegen conservatoire beslagen die zijn gelegd door de gedaagde, gevestigd te Rotterdam. De eiser stelt dat de beslagen onrechtmatig zijn en in strijd met het subsidiariteitsbeginsel. De gedaagde heeft op 5 augustus 2025 verlof gekregen voor het leggen van deze beslagen in verband met een leningsovereenkomst met een derde partij, [naam 1]. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de gedaagde in het beslagrekest niet de relevante zekerheid heeft vermeld die zij bezit, wat in strijd is met artikel 21 Rv. De voorzieningenrechter heeft daarom besloten de beslagen op te heffen, met de uitspraak dat deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De verdere beslissing is aangehouden tot 13 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/706034 / KG ZA 25-888
Proces-verbaal van de mondelinge deeluitspraak in kort geding van 29 september 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te Kapellen (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. E.S. Ebels,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde (beslaglegger),
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. R. Sekeris,
en
[naam 1]
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
op de voet van artikel 705 lid 3 als beslagene in dit kort geding opgeroepen,
hierna te noemen: [naam 1],
niet verschenen.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Rotterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. P. de Bruin, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Scheuller als griffier.
Aanwezig zijn mr. E.S. Ebels en [naam 2], bestuurder van [gedaagde], bijgestaan door mr. R. Sekeris.
De voorzieningenrechter gaat over tot de mondelinge behandeling. Partijen lichten ter zitting hun standpunten nader toe. Vervolgens deelt de voorzieningenrechter mee dat zij voornemens is mondeling uitspraak te doen op dat deel van de vorderingen dat ziet op de opheffing van de beslagen op de twee onroerende zaken waarvan de levering op 30 september 2025 gepland staat. Na de schorsing doet de voorzieningenrechter mondeling uitspraak op de voet van artikel 29a lid 1 Rv. De uitspraak luidt als volgt.

1.De beoordeling

1.1.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft op 5 augustus 2025 aan [gedaagde] voor een op € 1.040.000,- begrote vordering verlof verleend voor het leggen van conservatoire beslagen op de onverdeelde helft van [naam 1] in vier onroerende zaken. [gedaagde] en [naam 1] hebben op 31 mei 2023 een leningsovereenkomst gesloten, waarin zij hebben afgesproken dat [gedaagde] een bedrag van € 800.000,- uitleent aan [naam 1]. De termijn voor terugbetaling is inmiddels verstreken zonder dat [naam 1] iets betaald heeft.
1.2.
[eiser] komt in dit kort geding op tegen de beslagen stellende dat deze onrechtmatig, onnodig, disproportioneel en in strijd met het subsidiariteitsbeginsel zijn. [eiser] stelt verder dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden, wijst erop dat het geschil tussen [gedaagde] en [naam 1] zich buiten de Nederlandse rechtssfeer afspeelt en dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing.
1.3.
Vooropgesteld zij dat voor de opheffing van een conservatoir beslag spoedeisendheid geen vereiste is, zodat het daarop gerichte verweer wordt verworpen. Wat er ook zij van alle andere voor opheffing aangevoerde gronden, de voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld. Zij heeft in het beslagrekest nagelaten een, ook voor de begroting van de vordering relevante, zekerheid waarover zij beschikt, te vermelden. Die zekerheid houdt verband met het volgende. De echtgenote van [naam 1] heeft een pand ter waarde van € 800.000,- voor € 400.000,- verkocht aan [gedaagde] en uit de Allonge bij die koopovereenkomst volgt dat er een onlosmakelijk verband is met de schuld van [naam 1] aan [gedaagde]. Dat de echtgenote van [naam 1] de koopovereenkomst betwist, leidt niet tot een ander oordeel.
1.4.
Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de beslagen op [adres 1] en [adres 2], worden opgeheven, welke beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Omdat de voorzieningenrechter zelf opheft, komt zij niet toe aan de impliciet subsidiair gevorderde dwangsom.
1.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden tot 13 oktober 2025.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter
2.1.
heft op de op 6 augustus 2025 ten laste van [naam 1] gelegde conservatoire beslagen op de onverdeelde helft van de onroerende zaken aan [adres 1] en [adres 2],
2.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
2.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.
[3608/2009]