De zaak betreft een geschil tussen twee familiebedrijven waarbij de zoon (Junior) via zijn bedrijf een managementovereenkomst had met het bedrijf waarvan de vader (Senior) meerderheidsaandeelhouder is. Junior eiste betaling van achterstallige managementfees en extra vergoedingen, terwijl Senior terugbetaling van reeds betaalde vergoedingen vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de managementovereenkomst door Senior mocht worden opgezegd wegens tekortkomingen van Junior, waaronder het zonder toestemming overzetten van domeinnamen en het wekken van de indruk concurrent te worden. Hierdoor hoefde Senior geen achterstallige managementfees meer te betalen.
De vorderingen van Junior voor extra vergoedingen en pensioenbetalingen werden afgewezen wegens gebrek aan rechtsgrond en onvoldoende onderbouwing. De terugvordering van een deel van een factuur door Senior wegens onverschuldigde betaling slaagde niet omdat de betaling was gebaseerd op een geldige afspraak.
De rechtbank wees alle vorderingen af en bepaalde dat partijen hun eigen proceskosten dragen.