Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw [persoon B] , werkzaam bij het Wijkteam (hierna: begeleiding).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De rechtbank beoordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat de ontruiming aankondigde.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in de woning wil blijven en een minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerder, die het vonnis wil uitvoeren. Verzoeker ontvangt een PW-uitkering en toeslagen die voldoende zijn om de lopende huurtermijnen te voldoen. Bovendien is verzoeker onder beschermingsbewind gesteld, wat waarborgt dat toekomstige betalingen tijdig plaatsvinden.
De rechtbank legt als voorwaarde op dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan en bepaalt dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengt. Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het lopende minnelijk traject.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratoriumverzoek toe en schorst de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.