De rechtbank Rotterdam behandelde zes beroepen tegen uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan eiser, tevens kentekenhouder van de auto. De aanslagen betroffen parkeeracties in mei 2023 op verschillende locaties in Rotterdam.
Eiser stelde dat het inzagerecht was geschonden omdat stukken slechts twee werkdagen voor de hoorzitting werden verstrekt, terwijl volgens de Awb dit minimaal een week voorafgaand moet gebeuren. De rechtbank oordeelde dat tijdige toezending van kopieën aan de gemachtigde voldoende is en dat de stukken tijdig bestudeerd konden worden. Tevens betoogde eiser dat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn parkeervergunning geldig was, maar de rechtbank stelde vast dat de vergunning was verlopen en dat eiser tijdig geïnformeerd was over het verlopen daarvan.
Verder stelde eiser dat de naheffingsaanslagen in strijd waren met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat naheffingsaanslagen gebonden beschikkingen zijn zonder beleidsruimte en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die toetsing aan het evenredigheidsbeginsel rechtvaardigen. Ook was de motivering voldoende en was de heffingsambtenaar zorgvuldig te werk gegaan.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter Ferwerda op 8 oktober 2025.