Op 12 juli 2024 werd in een door verdachte bestuurde auto een reiskoffer met 10,2 kilogram cocaïne en 876 gram MDMA aangetroffen. Verdachte was niet de enige inzittende. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 30 maanden wegens medeplegen van verlengde invoer van deze verdovende middelen.
Tijdens de terechtzitting op 16 september 2025 werd het bewijs besproken. De officier stelde dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had, onder meer vanwege zijn vluchtgedrag, het kapotmaken van telefoons en GPS-locaties die een reis van Antwerpen naar Rotterdam aantonen. De rechtbank oordeelde echter dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om te bewijzen dat verdachte wetenschap had van de drugs in de afgesloten koffer of daarover beschikkingsmacht had.
Hoewel het vluchtgedrag verdacht was, was dit onvoldoende om wetenschap en opzet aan te nemen. Ook het argument dat het onwaarschijnlijk is dat iemand onwetend zulke grote hoeveelheden vervoert, werd door de rechtbank niet als voldoende bewijs gezien. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde medeplegen van verlengde invoer van cocaïne en MDMA.