Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij preferente schuldeisers 17,28% en concurrente schuldeisers 8,64% van hun vorderingen ontvangen tegen finale kwijting. Deze regeling is gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker, die momenteel nihil is vanwege een Ziektewetuitkering en lopend bezwaar tegen beëindiging van de WIA-uitkering.
Negen van de tien schuldeisers stemden in met het aanbod, maar Woonplus, met een vordering van €1.726,97 (5,84% van de totale schuld), weigerde in te stemmen en wenste een betalingsregeling voort te zetten. De rechtbank beoordeelde of deze weigering redelijk was, waarbij werd meegewogen dat het aanbod het uiterste is wat verzoeker kan bieden en dat een Wsnp-regeling minder gunstig zou zijn voor schuldeisers.
De rechtbank concludeerde dat de belangen van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan die van Woonplus en beveelt Woonplus om in te stemmen met het akkoord. Tevens wijst de rechtbank het subsidiaire verzoek tot toepassing van de Wsnp af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.