Verzoeker heeft op 20 augustus 2025 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 15 juli 2025. Verzoeker gaat per 1 oktober 2025 in loondienst met een bruto maandsalaris van €3.220,48, waarmee hij de huur van €679,27 kan betalen.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 18 september 2025. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidt tot toewijzing van het moratorium, omdat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij de huur kan voldoen en het minnelijk schuldhulpverleningstraject kan voortzetten. Verweerster heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het moratorium, maar wenst wel duidelijkheid over beschermingsbewind.
De rechtbank legt een voorwaarde op dat de huurtermijnen tijdig moeten worden voldaan en bepaalt dat de voorziening geldt voor zes maanden vanaf 20 augustus 2025. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog loopt. De uitspraak is gedaan door rechter J.T.P. Pot op 2 oktober 2025.